Gineke Zikken
De realist en zijn leermeester
Er zijn schilders waar je steeds weer naar kijkt, van wie de boeken opengeslagen in je atelier liggen. Door naar hun schilderijen te kijken krijg je echt zin om te schilderen. In het begin was dat voor mij vaak Matthijs Röling. Vooral de schilderijen van de tuin in Ezinge. Daarmee voelde ik verwantschap. Wat later raakte ik erg geïnspireerd door het werk van Otto de Kat en De Staël. Hun interpretatie van het landschap, het kleurgebruik en dat de verf zo lekker op het doek ligt. Weissenbruch vind ik vooral inspirerend door zijn composities van het Nederlandse landschap.
Een stijl raakt je of niet en waarom dat het geval is meestal niet duidelijk. Het is ook geen werk dat je wilt kopiëren, maar er gebeurt iets op zo’n doek waar het voor jou om gaat. Dat wil je voor ogen houden. Het zijn ook meestal maar enkele schilderijen van een bepaalde schilder waarbij je dat gevoel hebt. Er wordt je wel eens een inspiratiebron aangereikt, in mijn geval bijvoorbeeld Wim Oepts of Albert Marquet, maar ondanks dat er verwantschap is met Marquet qua onderwerpen en kleurgebruik doen zijn schilderijen mij weinig. Soms laat je zo’n inspirerend schilderij of inspirerende schilder ook weer los. Kennelijk is dat een gevolg van je ontwikkeling. Voor mijn onderwerpen uit de grootsteedse omgeving heb ik niet eens een duidelijke inspiratiebron. Maar toen ik onlangs voor het eerst na de academie weer eens een portret ging schilderen had ik erg de behoefte om mijn kunstboeken door te vlooien op zoek naar mooie voorbeelden. Als ik daar mee verder zou willen dan moet ik daarin mijn vorm nog vinden en daarbij heb je de ‘hulp’ van andere schilders nodig.
